In het Russische Rijk (1795-1919)




Onder het juk van Catherina II

In 1795 eindigden het Groothertogdom Litouwen en en de hele Rzecz Pospolita te bestaan. De ooit zo machtige Wit-Russische, Oekraïnse , Poolse en Zhamoytse staat werd door de Russische tsarina Catherina II – Кацярына II tot een aantal provincies van het Russische Rijk gemaakt. Gelijk na de annexatie begon de tsarina het beleid welke gericht was op nivelleren van de plaatselijke eigenheid en etnische kenmerken. Ze dicteerde een decreet die als einddoel had dat het gebied van het Groothertogdom de Provincies Noord-West (Severo-Zapadny Kray) zou worden. Veel van de belangrijke historische namen waren vervangen door “de acceptabele voor het deel van de Imperia”.

De Wit-Russische bevolking werd gedwongen trouw aan Rusland te zweren. Degenen die dit weigerden moesten binnen drie maanden het land verlaten en werden gedwongen ontroerend goed te verkopen. Ironisch genoeg was op dat moment het wetgevende instrument in Wit-Rusland nog steeds het Statuut van het Groothertogdom van 1588. De regering van de tsarina had nog geen duidelijke wetboeken geschreven.

Schliahta (wat rijkere Wit-Russen en Polen) mochten diverse administratieve functies uitvoeren maar de leidende rol in het beheer van het gebied was aan de aangestelde gouverneur-generaal. Hij volgde het militaire en politieke apparaat uit Moskou. Het nieuwe bestuur had de autonomie van de Wit-Russische magnaten afgeschaft, inclusief het recht om een eigen leger en kasteel te hebben.

Oorlogen en opstanden

Suvorau en Kastiushka (Сувораў і Касцюшка)


De tsaristische regering deelde landgoederen in het gebied uit aan Russische landeigenaren, hoge officieren uit het leger en ambtenaren. Totaal, in Wit-Rusland, gaven Catherina en Pavel zo rond de 1 miljoen mensen aan Russische landeigenaren in erfelijke bezit. Gedurende de geleidelijke annexatie kwam de Wit-Russische bevolking in opstand tegen de bezetter.

Na het neerslaan van de grootste opstand onder leiding van Tadeush Kosciuszko – Тадевуш Касцюшка (1794-1795), die onder andere tegen Rusland vocht, achtte Catharina het noodzakelijkheid om de positie van de orthodoxen te versterken. De katholieke en protestantse kerken hadden ook hun machtspositie in Wit-Rusland verloren.

Tijdens de oorlog met Napoleon in 1812 werd het gebied van Belarus zwaar getroffen. De bekende dramatische terugtocht van de resten van het Franse leger over de Berezina rivier (70 km ten noordoosten van Minsk) gaf inspiratie voor taalloze verhalen en schilderijen. Mensen geloven nog steeds dat er schatkisten vol goud in de rivier zijn begraven.

In 1861 werd de Lijfeigenschap  in het Russische Rijk afgeschaft. De boeren waren geen eigendom meer van de landeigenaren. De vrijheid zorgde ook voor heftige anti-tsaristische opstanden in Wit-Rusland. De grootste opstand werd in 1863 door Kastus Kalinouski  geleid. Strenge maatregelen, genomen door de Russische gouverneur-generaal van Vilna, had deze opstand samen met andere opstanden met geweld neer geslagen.
Tijdens de eerste wereldoorlog vochten Duitse en Russische legers bloedige veldslagen op het Wit-Russische grondgebied. Van 1914-1919 verloren duizenden Wit-Russen hun leven, zowel soldaten als burgers. De mensen in het grote Russische imperium waren moe van oorlog en armoede. Terwijl miljoenen burgers bijna omkwamen van de honger gaf tsaar Nikolai luxe feesten en stuurde meer soldaten naar verre gebieden. Dat veroorzaakte meerdere opstanden tegen de tsaar en leidde uiteindelijk tot de “socialistische” revolutie in 1917.

Poging tot onafhankelijkheid: BNR

In 1917 kwam het eerste Wit-Russische Congres samen om de zaak van de Wit-Russische soevereiniteit te bespreken. Vertegenwoordigers van de diverse nationale bewegingen stemden voor om de onafhankelijke Wit-Russische Volks Republiek (BNR) te stichten. Tegelijkertijd werd het grondgebied van Belarus zowel door Duitsers als door het Poolse leger bezet. Vanuit het oosten kwam het Rode Leger van nieuw communistisch Rusland. Door deze omstandigheden moest de regering van BNR naar Vilna uitwijken.

De Duitsers (die in principe soevereiniteit van Belarus steunden) trokken zich terug, maar een eigen leger had de Wit-Russische Nationale Republiek nog niet, waardoor de toekomst van het land in handen lag van de Poolse en Russische volkscommissarissen en militairen. In maart 1918 werd door deze landen besloten het Congres te ontbinden en het grondgebied van Belarus in tweeën delen. De westelijke gebieden, tot de hoofdstad Minsk, werden een Poolse provincie. De oostelijke gebieden, samen met een groot gedeelte van Oekraïne, viel onder de regering van de Sovjet Russische Federatieve Republiek.

Tot 1939 werden stukken van het gebied van Belarus meerdere keer verdeeld, gesplitst, weggegeven aan buurlanden en geruild voor andere gebieden.